In dit essay zal ik ingaan op een specifieke vorm van het gebruik van ICT voor kennisoverdracht, namelijk immersive virtual reality als instruktiemedium. Het essay is geïnspireerd door het Jacob project, waar ik in 2000 aan heb gewerkt. Meer informatie over dit project is te vinden via http://parlevink.cs.utwente.nl/jacob . Immersive virtual reality is een interactiewijze waarbij een softwareapplicatie drie-dimensionaal gevisualiseerd wordt. Er wordt gebruik gemaakt van middelen als een 3D bril, een 3D beeldscherm, een Cave (een ruimte waar de gebruiker omringd is door levensgrote beeldschermen) en speciale handschoenen (zogenaamde data gloves). De term immersive virtual reality slaat op het feit dat de gebruiker als het ware ondergedompeld wordt in een drie-dimensionale wereld.
Ik ga zitten in mijn grijze kantoor, achter mijn PC en start de SimBeplanting-browser op. Ik pak de speciale handschoen die op mijn bureau ligt en doe hem aan mijn rechterhand. Vervolgens zet ik de 3D bril op die ernaast ligt.
Opeens bevind ik me in een compleet andere omgeving, om precies te zijn, in een kleine kamer. Op de muur recht tegenover mij hangt een bord: “Welkom bij SimBeplanting.” Als ik mijn rechterhand optil, zie ik ook een hand die mijn bewegingen volgt. Door mijn hand op bepaalde manieren te bewegen kan ik mijzelf omdraaien en verplaatsen.
Ik kijk naar rechts en zie iemand achter een tafel staan. Ik ga naar hem toe. De persoon draait zich om, kijkt me aan en zegt: “Goeiemorgen, ik ben Jacob. Ik zal je begeleiden bij SimBeplanting, een oefening om beter inzicht te krijgen in beplantingsmodellen. Ben je er klaar voor?”
“Ja, laten we beginnen,” antwoord ik.
Jacob zwaait met zijn arm. De kamer verdwijnt en gaat over in een groen landschap met hier en daar een beekje, maar nog zonder bomen en struiken.
“Jacob, kan je me eerst het hele gebied laten zien?”
“Dat is goed,” antwoord Jacob. Het beeld zoomt uit totdat we vanuit de lucht neerkijken op het hele gebied. Het ziet er uit als een grote, groene rechthoek die in een blauwe leegte zweeft.
“Je moet nu eerst aangeven welke bomen je waar wilt planten,” zegt Jacob.
Ik wijs naar een plek naast een beekje. “Daar wil ik een berk.” Er verschijnt op de betreffende plek een rood kruisje met de letter B ernaast. Op dezelfde wijze geef ik voor het hele gebied de beplanting aan.
“Volgens mij is het wel goed zo. Wat gaan we nu doen?”
“Ik zal de simulatie starten,” antwoordt Jacob, “daar gaan we.” De tekst “T = 0 jaar” verschijnt en lijkt als het ware in de lucht te hangen. Het getal begint op te lopen. Op de plekken waar de rode kruisjes staan, komen groene puntjes tevoorschijn, die langzaam groter worden en de vorm van boompjes en struiken aannemen.
Als er vijf jaar verstreken zijn in de simulatie, zeg ik: “stop eens, Jacob.” De tijd stopt en Jacob kijkt me vragend aan. “Ik wil zien hoe het er uitziet als ik midden tussen de bomen sta,” vervolg ik. Ik wijs naar de plek waar ik de eerste berk heb geplant. “Laten we daar eens heengaan.”
Het beeld zoomt in totdat we midden tussen de boompjes staan. “Zo ziet het er allemaal wel goed uit. Gaat het inderdaad goed met mijn beplantingsplan?”
Jacob antwoord: “Ja, je plan is best goed. Er is alleen één plek waar het mis dreigt te gaan. Kom maar mee, dan zal ik het je laten zien.” Ik volg Jacob naar de betreffende plek. Als we daar aankomen is het mij meteen duidelijk dat de bomen op deze plek elkaar dreigen te verstikken. “Ik heb de bomen hier te dicht op elkaar geplant.”
“Inderdaad,” zegt Jacob, “wat ga je eraan doen?”
“Ik zal er een paar verwijderen.” Ik wijs een boom aan en zeg “verwijder die boom.” De boom verdwijnt. Ik verwijder er nog een paar, totdat de overgebleven bomen voldoende ruimte hebben gekregen om goed verder te groeien. “Ga maar weer verder met de simulatie.” De tijd begint weer te lopen, de bomen groeien verder.
“Hoe ziet het er uit na vijftien jaar?”
“Dat zal ik je laten zien,” antwoordt Jacob. De tijd-teller verspringt naar “T = 15” en de bomen zijn opeens een stuk groter.
“Jacob, kun je me nu vertellen hoe goed mijn beplantingsplan is geweest?”
“Ja,” antwoord Jacob. Het beeld zoomt weer uit totdat we het gehele gebied overzien. “Kijk maar eens naar de boomdichtheid.” Het landschap verandert in een schematische weergave met verschillende kleuren van groen tot rood. Rechtsboven verschijnt een soort legenda in de lucht, waaruit ik opmaak dat rood een te hoge boomdichtheid betekent. In het gebied zijn er slechts enkele plekken met een oranje-rode kleur.
“Je hebt het goed gedaan,” zegt Jacob, terwijl hij me bemoedigend toelacht.
“Het is me ontzettend meegevallen. Ik denk dat ik voor deze keer wel genoeg geoefend heb. Bedankt, Jacob!”
“Graag gedaan, en tot de volgende keer,” antwoordt Jacob.
Ik zet de bril af. Het duurt even voor ik mijzelf heb omgeschakeld en me realiseer dat ik weer alleen in mijn grijze kantoor zit.
Dit essay is verschenen in de Essaybundel Kennisdisseminatie, Wageningen-UR 2001